Station Brugge en Antwerpen-Centraal

De historische stationsgebouwen van Brugge en Antwerpen vormen iconische bakens in het stedelijk weefsel, maar verloren doorheen de tijd aan functionele en maatschappelijke relevantie. In opdracht van NMBS onderzochten Erfgoed en Visie en Herbé hoe deze waardevolle sites via een duurzame herbestemming opnieuw verankerd kunnen worden in hun stedelijke context.

In opdracht van NMBS 
In uitvoering 
In samenwerking met: Herbé 

Historische stationsgebouwen werden vaak met veel pracht en praal gebouwd, als statussymbool voor de sterke economische bloei en een reflectie van het toenemende belang van het spoorvervoer. Desondanks dat ook vandaag de spoorwegen één van de belangrijkste vervoersmodaliteiten blijven vormen, geraken de oude stationsgebouwen zelf steeds vaker onbenut omwille logistieke problemen, een verlies aan efficiëntie in gebruik evenals de verouderde technische uitrusting. 

Ook in Brugge en Antwerpen was dit tot voor kort de context, waar de historische stationgebouwen desondanks als gelijke noemer hebben dat ze zowel op erfgoedkundig als op stedenbouwkundig vlak van groot belang zijn. Door aanpassingen in het verleden ging de historische beleving er echter verloren en kwamen ruimtes leeg te staan. Tevens veranderde de verhouding met het omliggende stedelijke weefsel door evoluties die zich in de aanpalende stationsbuurten hebben voorgedaan. Op vraag van NMBS sloegen Erfgoed en visie en Herbé dan ook de handen in elkaar in een zoektocht de gebouwen hun relevantie terug te geven.

Meerlagige verkenning van gebouw en context

De eerste fase bestond uit een diepgaand onderzoek naar de historische, erfgoedkundige, bouwtechnische en ruimtelijke kenmerken van de gebouwen. De analyse gebeurde op drie schaalniveaus – macro, meso en micro – om een genuanceerd beeld te krijgen van de positionering van het station in de stad, de relatie tot de omgeving en de interne structuur. De erfgoedkundige analyse bracht niet alleen de materiële erfgoedwaarden in kaart, maar schonk ook aandacht aan de betekenis van de plek in het collectieve geheugen van reizigers en bewoners. De ruimtelijke analyse focuste op circulatie, oriëntatie en gebruik, terwijl de bouwtechnische analyse werd uitgevoerd aan de hand van een duurzaamheidsmatrix, ontwikkeld door Erfgoed en Visie. De fase werd afgerond met een SWOT-analyse die de sterktes, zwaktes, kansen en bedreigingen van de sites samenvatte.

Het 3G-model als kompas voor herbestemming

In de tweede fase werd het herbestemmingspotentieel van de sites onderzocht aan de hand van het 3G-model, een analysekader ontwikkeld door Herbé. Dit model brengt drie sleutelfactoren in evenwicht: GebouwGebruiker en Geld.

OP Gebouw-niveau werden de fysieke en ruimtelijke eigenschappen geëvalueerd, zoals structuur, opbouw, erfgoedwaarde, technische staat en aanpasbaarheid. Storende elementen of onderdelen werden in kaart gebracht en optimalisaties werden voorgesteld, zoals het toevoegen van nieuwe circulatiekernen en sanitair. 

Op het niveau van de gebruiker werd de programmatorische invulling afgetoetst aan hun noden. Op basis van maatschappelijke behoeften en gebruikscomfort werd een longlist van functies opgesteld en via overleg met de NMBS en het agentschap Onroerend Erfgoed teruggebracht tot een haalbare shortlist.

De financiële haalbaarheid werd tenslotte op het niveau van “geld” systematisch onderzocht: van investeringskost en exploitatiewaarde tot subsidies en rendabiliteit. Zo werd gewaarborgd dat de voorgestelde scenario’s niet alleen wenselijk, maar ook realiseerbaar zijn.

Drie scenario’s, één toekomstvisie

Op basis van de conclusies uit de voorgaande fasen werd in de derde fase een ontwerpend onderzoek gevoerd. Dit resulteerde in drie uitgewerkte herbestemmingsscenario’s, die elk getoetst werden op ruimtelijke kwaliteit, erfgoedwaarde, maatschappelijke meerwaarde, juridische haalbaarheid en financiële robuustheid. Eén scenario werd weerhouden als voorkeurscenario.

Het volledige traject resulteerde in een concreet en uitvoerbaar eindrapport dat werd voorgesteld aan NMBS, de betrokken stadsbesturen en het agentschap Onroerend Erfgoed. Door het combineren van erfgoedexpertise, stedenbouwkundig inzicht en participatie werd niet enkel gezocht naar een nieuwe functie voor de gebouwen, maar vooral naar een toekomst waarin ze opnieuw betekenisvol kunnen zijn voor stad en samenleving.